Loading...

Activiteiten

Marloes ten Bhömer (2001-2003)

EEN ALTERNATIEF VOOR NU

Marloes ten Bhömer is eigenaar van de gelijknamige ontwerpstudio in Londen. Ze studeerde in 2001 af aan de afdeling Product Design van ArtEZ in Arnhem. Van 2001 tot 2003 studeerde ze verder aan het Royal College of Art en in 2002 volgde ze een zomercursus aan het Londen College of Fashion. In 2011 ontving ze voor haar onderzoek een Stanley Picker Fellowship. Op dit moment is ze als gastdocent verbonden aan de Berlijnse Universität der Künste en de Kingston University in Londen

Peter Nijenhuis: Sommige mensen zeggen dat design de komende jaren zal veranderen door de technologische ontwikkelingen. Ten eerste zal het zich van objecten richten op de interactie tussen gebruikers, systemen en nieuwe en oude technologieën binnen een gegeven context. Ten tweede zullen eeuwenoude gebruiksvoorwerpen als kleding en schoenen opnieuw worden uitgevonden en anders worden geproduceerd. Die veranderingen betekenen onder andere dat een ontwerper voortdurend verder zal moeten leren. De ontwerper zal moeten onderzoeken, moeten experimenteren en de tijd moeten nemen om ideeën te ontwikkelen. Ben je het daar mee eens en in hoeverre hebben jouw opleidingen in Arnhem en Londen je voorbereid om op eigen kracht te leren en te onderzoeken?

Marloes ten Bhömer: Ik denk dat in de vormgeving al langer wordt gezocht naar het verbinden van mensen, diensten, systemen en producten. Bedrijven zoals IDEO hanteren al jaren het idee van Design Thinking als ontwerpfilosofie en methode. Het tweede punt dat je aanhaalt is voor mij vooral interessant. Het is de taak van masteropleidingen en daaraan verbonden onderzoekers om de industrie te informeren en te vormen. Maar ik vind wel dat er te vaak gedacht wordt dat de uitkomsten van onderzoeken industriegericht zouden moeten zijn en dat de industrie per definitie de juiste en maatschappelijk relevante vragen stelt. Niet alle industrieën zitten te wachten op nieuwe ideeën en technieken. De technologische strategie van de industrie en de bestaande relaties tussen industrie en technologie-ontwikkelaars zijn niet allemaal even heilzaam. Een goed voorbeeld hiervan is de olie-industrie die patenten opkoopt van auto’s met een laag brandstofverbruik om die vervolgens heel diep in een la te gooien. Wat ik wil zeggen is, dat het niet altijd in het belang van de industrie is om verandering teweeg te brengen of over te nemen. Dat geldt in hoge mate voor de schoenenindustrie. Schoenen worden op een erg systematische manier gemaakt. Van de kleinste verandering in het proces raakt de hele productie in de war. Ik zie dat echte ontwikkelingen op schoenengebied bewerkstelligd worden door merken die geheel zijn gebaseerd op een nieuwe techniek. Wanneer een nieuwe techniek of toepassing van materiaal is ontwikkeld, worden fabrieken opgezet die met die techniek kunnen werken of worden schoenspecifieke nevenactiviteiten opgebouwd. Vervolgens ontstaat een nieuw type schoen, die gelinkt is aan een merk, maar voor de mode is de context en stijl van de schoen belangrijker en dus is er geen blijvende reden meer voor vernieuwing van de techniek. Op dit moment vormen alleen sportschoenen een uitzondering op die regel. Merken in dat segment claimen steeds nieuwe technieken omwille van de performance, de verwachte of daadwerkelijke prestatieverbetering. En dat is uiteindelijk vaak een kwestie van marketing.

Technologie en technologische ontwikkeling in de schoenenbranche is kortom een ingewikkeld verhaal. De ontwerpopleiding aan ArtEZ Arnhem, in mijn tijd onder leiding van Wilma Sommers, was vooral gericht op het ontwikkelen van een eigen handschrift en een eigen context: een helder verhaal dat jouw werk in het kader van je eigen tijd en omstandigheden plaatste. De eigentijdse visie van de ontwerper was vooral van belang en dat betekent natuurlijk dat een ontwerper gewoon niet stil kan staan.

Het culturele klimaat in Groot-Brittannië is momenteel sterk gericht op academisch onderzoek. Dat heeft volgens mij vooral te maken met de verandering van de belangstelling van de studenten en het stimuleren van de kenniseconomie door de regering. Universiteiten en andere opleidingen hebben in Groot Brittannië te maken met een systematische toetsing van de kwaliteit van hun onderwijs en onderzoek op basis van het ‘Research Excellence Framework’. Dat ‘Framework’ is sterk gericht op het bevorderen van vernieuwende wetenschappelijke prestaties.

Peter Nijenhuis: Je hebt in 2011 een Stanley Picker Fellowship ontvangen, kun je uitleggen wat dat inhoud en wat je in dat kader gedaan hebt?
Marloes ten Bhömer: De Stanley Picker Fellowship is een studiebeurs voor onderzoek aan Kingston University. Het werk dat tijdens de fellowship wordt gemaakt wordt geëxposeerd in de Stanley Picker Gallery. Mijn tentoonstelling A Measurable Factor Sets the Conditions of its Operation in de Stanley Picker Gallery bestaat uit een reeks structurele, esthetische en culturele experimenten, intuïtieve en analytische studies, schetsen, en videobeelden in slow- motion, analyses van pressure maps, prototypes, filmcompilaties, prints en dia's, observaties en gevolgtrekkingen, triomfen en mislukkingen. Een deel van de expositie bestaat uit onderzoek voor een nieuwe schoenencollectie. Doel is om de standaardfabricage van schoenen en de daarbij behorende ontwerpmethodes volledig te herzien. De gebruikte methode, die zich doelbewust onttrekt aan modetrends en stijlen, is gebaseerd op onderzoek naar de structurele parameters en principes die nodig zijn om een voet (in een hoge hakken stand) te ondersteunen tijdens het lopen. Ik heb me onder andere gericht op het bestuderen van de anatomie en kinematica van de voet en enkel om zo een aantal hypotheses en parameters voor een mogelijke schoen te komen. The White Prototypes uit 2013, die uit mijn onderzoek voortvloeiden, zijn testschoenen ontworpen en gemaakt op basis van de gevonden parameters, de door mij in kaart gebrachte combinaties van de voet en de contactpunten op de grond. Een ander werk in de tentoonstelling is gebaseerd op een studie naar de hooggehakte vrouw als culturele constructie. Het bestaat uit een compilatie van bestaande video- en filmfragmenten waarin de vrouw op hoge hakken centraal staat en de voor de expositie gemaakte video Material Compulsion, ook uit 2013. De hooggehakte vrouw is in mijn ogen ingewikkeld verschijnsel. Het is een culturele constructie gesanctioneerd door tal van conventies die samenhangen met het door de mens geschapen culturele milieu. Wanneer de hoog gehakte vrouw wordt geplaatst in een andere dan gangbare setting (door het verhaal van een film bijvoorbeeld) of gedwongen wordt over alternatieve, unieke substanties en substraten te lopen, verliest een vrouw op hakken zowel fysiek als cultureel haar evenwicht. Ze glijdt uit, kruipt of tuimelt om, waardoor onze waarneming van wat ze is, en daarmee haar identiteit, transformeert. Material Compulsion is een videowerk, gefilmd met een highspeed camera dat dit fenomeen verhevigd in beeld brengt.

De gevolgen van mijn onderzoek zijn in mijn ogen tweeledig. Ten eerste blijkt dat er een verband bestaat tussen gerationaliseerde parameters, esthetische intuïtie en structurele principes. Ten tweede door 'de vrouw in beweging' als een technisch probleem te zien, wordt de rol van hoge hakken in de culturele constructie van de vrouwelijke identiteit aan de kaak gesteld.

Peter Nijenhuis: Er zijn mensen die zeggen dat Europa ongemerkt is begonnen aan een tweede industrialisering. Massaproductie blijft een zaak van overzeese werelddelen, maar binnen nu en twintig jaar produceren we in Europa opnieuw substantiële aantallen producten op basis van nieuwe technologieën. Ben jij het met die opvatting eens en zijn jouw schoenontwerpen – die nu nog wel eens worden afgedaan als onmogelijk en vergezocht - toegesneden op een dergelijke toekomst?
Marloes ten Bhömer: Er zijn veel overheidsinitiatieven die de productie met behulp van nieuwe technologieën proberen te bevorderen. Ik denk dat je je moet afvragen wie dit promoot en waarom. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen waarom de voormalige burgemeester van New York Michael Bloomberg zoveel aandacht aan 3D printen schenkt. Welke belangen spelen daarbij een rol? High-tech-bedrijven zijn op dit moment veel meer in trek bij hoog opgeleiden dan de bankenwereld. Je kunt bij die bedrijven het verhaal vertellen dat ze banen scheppen. Maar zijn dat blijvende banen? En wordt dat verhaal verteld om de verwachting te wekken dat een stad of een wijk in ontwikkeling en opkomst is, wat op zijn beurt weer gunstig is voor de prijzen van het vastgoed? Met die slag om de arm, denk ik niettemin dat het voor ontwerpers vanzelfsprekend is om het heft in eigen handen te nemen. Het is ontzettend lastig objecten te laten produceren buiten Europa. Dat verklaart waarom veel jonge ontwerpers zelf machines maken of met DIY technologieën experimenteren.

Ik denk overigens niet dat in het productontwerpen alleen met high-end-technologie vooruitgang kan woorden geboekt qua stijl, milieu, werkgelegenheid en gezondheid. Daarbij komt dat ik niet werk voor een toekomst die nog ver verwijderd is. Mijn werk is toegespitst op het nu. Wat ik vooral met mijn werk wil, is het onderzoeken bestaande ideeën en voorstellingen. Die ideeën gaan onder meer over technologie, geslacht, of gender, en stijl. Ze gaan ook over maakprocessen, ontwerpmethodes en het aanzien van handgemaakte tegenover machinaal gemaakte producten. Is, bijvoorbeeld, een machinaal gemaakt product echt commerciëler dan een handgemaakt product? Is rapid prototyping wel een structureel zinvolle manier van produceren? Kan een leren schoen geheel met machines gemaakt worden en toch als luxe product gezien worden? Hoe zijn stijlclichés en rolbevestigende ideeën over vrouwen met elkaar verbonden? Hoe verandert ons idee over technologie als het om technologische objecten gaat die exclusief voor vrouwen gemaakt zijn? Dus nee, mijn ontwerpen zijn niet voor de toekomst. Je moet ze zien als een mogelijkheid, een alternatief voor nu.

Website Marloes ten Böhmer

Peter Nijenhuis 04 04 2014